Eind Mei 2024 reisde ik samen met Annemiek en Marijke naar de Franse Alpen. We hadden een prachtig logies in een klein dorpje iets ten zuidwesten van Chambéry.
Enige malheur met onze auto, die naar een Franse garage moest voor een betere uitlijning en nieuwe remblokken, met daarbij ook nog wat wisselvallig weer, maakte dat wij de eerste week wat moesten improviseren. Na de reparatie aan onze auto, was het ook verantwoord om een kleine pas in de buurt op te rijden. Het betrof de Super Collet met een hoogte van 1640 meter. De pas eindigde niet ver onder de boomgrens bij een paar skiliften. Door de vele regen die er ook dat voorjaar in de Franse Alpen was gevallen, lag er nog de nodige sneeuw op de top.
Het was best een beetje zoeken naar vogels, die zich wel lieten horen, maar lastig te zien waren. Uiteindelijk vond ik toch nog een Waterpieper, een Zwarte Roodstaart en een zingende Vink. Helaas geen roofvogels, of wat meer aansprekende soorten.
Echter wel een aantal dode bomen, die onder het fraaie Baardmos zaten en een Hommel, die een groepje bloeiende Bergcentaurie bezocht.
Daags hierna maakten wij een tochtje door een naburige vallei en kon ik bijna mijn ogen niet geloven, toen ik in de motregen, laag over een weiland een Bijeneter zag vliegen. Dat vroeg uiteraard, om nader onderzoek. De volgende dag moest ik nog even langs de, aan het begin van die vallei gelegen supermarkt, maar ging daarna op zoek naar wie weet een groepje bijeneters. Het weer was aardig opgeknapt en opeens hoorde ik ze en vond ze kort hierna.
Dit waren er niet een paar, maar bleek een behoorlijke groep te zijn. Het bleek net achter een stukje terrein van de Portugees Bernardo, die daar met zijn vrouw woonde, wat in caravans handelde en 's nachts met zijn vrachtwagen voor zijn werk reed. Achter een hek aan de zijkant van zijn terrein, kon je via een pad wat dichter bij de Bijeneters komen. Hij vond het prima, als ik een dezer dagen terug zou komen en dan zou hij voor mij het hek open doen.

Voor de volgende dag stond echter eerst de dagtocht naar de Galibier via de Col du Télégraphe op het programma. Op de top van de Télégraphe, met een hoogte van 1566 meter en dus nog onder de boomgrens, maakten we een korte stop tussen met name de vele wielrenners en motorrijders. Bij Valloire pauzeerden we iets langer en begonnen van daaruit aan de rit naar de top van de Galibier, een van de meest aansprekende bergen uit de historie van de Tour de France. Het bleek een schitterende pas met prachtige vergezichten.
Zo nu en dan scheerde er een wielrenner omlaag, dus alertheid was geboden. We stopten een paar keer op een parkeerplek langs de route, om niet alleen van het landschap te genieten, maar ook van de Alpenflora en de mogelijke vogels. Zo vond ik niet ver onder de top een mannetje Westelijke Blonde Tapuit.
Eenmaal op de top met een hoogte van 2642 meter, lieten de eerste Alpenkauwen met hun gele snavels zich zien en kon ik, een stukje wandelend tussen de enorme sneeuwwanden langs de rand van de weg, nog net op tijd een amoureus koppeltje van deze leuke soort vastleggen op de foto. Iets onder de top lieten ook een paar uit de kluiten gewassen Alpenmarmotten zich zien.
Van roofvogels, laat staan een Lammergier, helaas geen spoor, maar wachtend tot de hulpdiensten de weg hadden vrijgemaakt na een kleine lawine, zag ik wel dichtbij de weg een mooi groepje
Nadat de weg weer sneeuw en ijsvrij was gemaakt, konden wij aan de afdaling naar de lager gelegen Col du Lautaret beginnen. Uiteindelijk konden wij hierdoor onze rondrit door de Alpen vervolgen en hoefden niet dezelfde lange route terug te nemen via Valloire en de Telégraphe. Het was al met al een geslaagde dag in het hooggebergte van de Haute Savoie.
Het was slechts een kort stukje geleidelijk omhoog lopen, maar toen was ik al bij het groepje coniferen aan de rand van het veld. Er liep een hekwerk met het nodige prikkeldraad langs, zodat het vee, maar zeker ook de broedende Bijeneters, geen last hadden van eventuele ongewenste verstoring. Het was voor mij een beetje passen en meten, met name om een goed steunpunt te vinden voor het statief en ook nog het juiste richtpunt te vinden door, of net boven de lange grashalmen.
Na een klein uurtje hield ik het voor gezien, bedankte Bernardo hartelijk en reed weer terug naar ons niet al te ver weg gelegen logies. De volgende dag brachten we nog een bezoek aan Chambéry, met o.a. zijn markante Olifanten fontein en het oude woonhuis van de Franse filosoof en schrijver Jean Jacques Rousseau, met zijn nog prachtig ingerichte kamers en gelegen op een heuvel aan de zuidkant van de stad.
Zo langzaam aan zat onze vakantie er in dit deel van Rhône-Alpes weer op, maar had ik op onze laatste dag aldaar, nota bene in ons eigen dorpje, nog een heel erg leuke vogel-ervaring. Nog wat genietend van de late middagzon, op een bankje tegen de muur van het vakantiehuis aan, hoorde ik opeens het geluid van een Specht. Als eerste dacht ik direct aan een Groene, met dat kenmerkende ha, ha, ha, ha op dezelfde toonhoogte, maar toen ik hem/haar weer hoorde, viel mij op dat het geluid aan het eind van die strofe niet op dezelfde toonhoogte bleef, maar langzaam wat daalde. Allemachtig, dat kon bijna niet anders dan een Grijskopspecht zijn. Ik had deze soort nog nooit gezien, maar kende wel het geluid.
De volgende ochtend namen wij afscheid van onze vriendelijke en behulpzame gastheer monsieur André en begonnen aan de terugreis naar huis. Op weg richting Bourg-en-Bresse maakten we nog een lunchstop in het plaatsje Tenay, gelegen in het departement Ain, in een lus van het riviertje de Albarine. Tenay telt maar zo'n 1000 inwoners, maar heeft wel echt iets bijzonders. Overal waar je keek, zag je de meest fraaie muurschilderingen. Als afsluiting van dit Blog, laat ik er hier nog een paar zien.

Voor de volgende dag stond echter eerst de dagtocht naar de Galibier via de Col du Télégraphe op het programma. Op de top van de Télégraphe, met een hoogte van 1566 meter en dus nog onder de boomgrens, maakten we een korte stop tussen met name de vele wielrenners en motorrijders. Bij Valloire pauzeerden we iets langer en begonnen van daaruit aan de rit naar de top van de Galibier, een van de meest aansprekende bergen uit de historie van de Tour de France. Het bleek een schitterende pas met prachtige vergezichten.
Zo nu en dan scheerde er een wielrenner omlaag, dus alertheid was geboden. We stopten een paar keer op een parkeerplek langs de route, om niet alleen van het landschap te genieten, maar ook van de Alpenflora en de mogelijke vogels. Zo vond ik niet ver onder de top een mannetje Westelijke Blonde Tapuit.
Eenmaal op de top met een hoogte van 2642 meter, lieten de eerste Alpenkauwen met hun gele snavels zich zien en kon ik, een stukje wandelend tussen de enorme sneeuwwanden langs de rand van de weg, nog net op tijd een amoureus koppeltje van deze leuke soort vastleggen op de foto. Iets onder de top lieten ook een paar uit de kluiten gewassen Alpenmarmotten zich zien.
Van roofvogels, laat staan een Lammergier, helaas geen spoor, maar wachtend tot de hulpdiensten de weg hadden vrijgemaakt na een kleine lawine, zag ik wel dichtbij de weg een mooi groepje
Rode alpensleutelbloemen.
Nadat de weg weer sneeuw en ijsvrij was gemaakt, konden wij aan de afdaling naar de lager gelegen Col du Lautaret beginnen. Uiteindelijk konden wij hierdoor onze rondrit door de Alpen vervolgen en hoefden niet dezelfde lange route terug te nemen via Valloire en de Telégraphe. Het was al met al een geslaagde dag in het hooggebergte van de Haute Savoie.
De volgende dag werd het toch wel weer tijd, om eens langs te gaan bij onze vriend Bernardo en zijn Bijeneters. Bernardo was gelukkig thuis en deed met veel plezier het hek voor mij open.
Het was slechts een kort stukje geleidelijk omhoog lopen, maar toen was ik al bij het groepje coniferen aan de rand van het veld. Er liep een hekwerk met het nodige prikkeldraad langs, zodat het vee, maar zeker ook de broedende Bijeneters, geen last hadden van eventuele ongewenste verstoring. Het was voor mij een beetje passen en meten, met name om een goed steunpunt te vinden voor het statief en ook nog het juiste richtpunt te vinden door, of net boven de lange grashalmen.
Ik stond feitelijk in een natuurlijke schuilhut, onder de takken van een conifeer en wat balancerend op een schuin oplopend stukje van het pad. Uiteindelijk lukte het zowaar, om ook nog een paar vogels in vlucht vlakbij de nestopeningen te fotograferen, naast diegenen die af en toe op een boomtak rustten.
Na een klein uurtje hield ik het voor gezien, bedankte Bernardo hartelijk en reed weer terug naar ons niet al te ver weg gelegen logies. De volgende dag brachten we nog een bezoek aan Chambéry, met o.a. zijn markante Olifanten fontein en het oude woonhuis van de Franse filosoof en schrijver Jean Jacques Rousseau, met zijn nog prachtig ingerichte kamers en gelegen op een heuvel aan de zuidkant van de stad.
Zo langzaam aan zat onze vakantie er in dit deel van Rhône-Alpes weer op, maar had ik op onze laatste dag aldaar, nota bene in ons eigen dorpje, nog een heel erg leuke vogel-ervaring. Nog wat genietend van de late middagzon, op een bankje tegen de muur van het vakantiehuis aan, hoorde ik opeens het geluid van een Specht. Als eerste dacht ik direct aan een Groene, met dat kenmerkende ha, ha, ha, ha op dezelfde toonhoogte, maar toen ik hem/haar weer hoorde, viel mij op dat het geluid aan het eind van die strofe niet op dezelfde toonhoogte bleef, maar langzaam wat daalde. Allemachtig, dat kon bijna niet anders dan een Grijskopspecht zijn. Ik had deze soort nog nooit gezien, maar kende wel het geluid.
"Ik moet snel even de dorpsstraat in", riep ik tegen de vrouwen en pakte mijn kijker, camera met telelens en statief. Zo snel mogelijk liep ik het dorpsstraatje uit naar links, want daar ergens aan de rechterkant van de weg, vanuit een hoger gelegen helling-bos, kwam nog steeds het geluid van de Specht. "Als ie maar zijn kop niet houdt en blijft roepen", zei ik bijna hardop tegen mijzelf. Eenmaal net voorbij het laatste huis, had ik vrij zicht op een paar dode bomen rechts vooraan het helling-bos.
Ik pakte snel mijn kijker en halleluja, ik had hem ineens in beeld. Een bewijsplaatje zou echter nog mooier zijn en mijn waarneming ook beter onderbouwen. In record tempo statief opgezet, camera er op en zoeken naar de Grijskopspecht, die echt wel op een afstand van zo'n tweehonderd meter zat. Gelukkig kon ik een nog aantal opnames maken, voordat de vogel definitief uit beeld verdween. Wat een geweldige "self found Lifer" dit.
De volgende ochtend namen wij afscheid van onze vriendelijke en behulpzame gastheer monsieur André en begonnen aan de terugreis naar huis. Op weg richting Bourg-en-Bresse maakten we nog een lunchstop in het plaatsje Tenay, gelegen in het departement Ain, in een lus van het riviertje de Albarine. Tenay telt maar zo'n 1000 inwoners, maar heeft wel echt iets bijzonders. Overal waar je keek, zag je de meest fraaie muurschilderingen. Als afsluiting van dit Blog, laat ik er hier nog een paar zien.























Geen opmerkingen:
Een reactie posten